scroll-bottom
Delen met:

​Staatssteunregels en experimentele ontwikkeling

Bestaat er bij jou ook veel onduidelijkheid over staatssteunregels? In al onze subsidieaanvragen komt het naar voren: de maximale staatssteun die een klant mag ontvangen. In deze korte bijdrage wordt uitleg geven over staatssteunregels (Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en de-minimis) vanuit fictieve projecten, waarin experimentele ontwikkeling plaatsvindt.

Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV)

De AGVV definieert vele aspecten van staatssteun. In deze bijdrage richten wij ons op experimentele ontwikkeling. De maximale steunintensiteit voor experimentele ontwikkeling is 25%. Deze steunintensiteit kan verhoogd worden als er sprake is van een:

  • daadwerkelijke samenwerking: 15%
  • middelgrote onderneming: 10%
  • kleine onderneming: 20%

Een voorbeeld: ingeval dat een kleine mkb-ondernemer samenwerkt en experimentele ontwikkeling uitvoert met een andere mkb’er dan bedraagt de maximale steunintensiteit 60% (= 25% + 15% + 20%). In bijvoorbeeld een MIT R&D samenwerkingsproject is de subsidie 35%, waardoor de steun onder het maximale toegestane blijft.

De-minimis verordening

De naam de-minimissteun komt voort uit het feit dat de steun zo minimaal is dat het weinig of geen impact heeft op de interne markt. Immers in een periode van drie belastingjaren mag tot € 200.000 aan steun worden verleend. In tegenstelling tot de AGVV wordt de maximale steunintensiteit niet beperkt door percentages, maar door het maximale bedrag. Er zijn uitzonderingen voor diverse sectoren, maar daar wordt in deze bijdrage niet op in gegaan.

Staatssteun en subsidieregelingen

Het overgrote deel van subsidies valt onder de AGVV. Een klein deel van subsidies valt onder de de-minimis verordening. Daarnaast bieden regelingen zoals EFRO de mogelijkheid om het onder zowel AGVV of de-minimis te laten vallen.

Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een grote onderneming participeert in een EFRO aanvraag à 35% subsidie en dat er provinciale co-financiering à 10% wordt verstrekt. In totaal komt de staatssteun dan op 45% terwijl slechts 40% onder AGVV is toegestaan. Immers experimentele ontwikkeling is 25% en daadwerkelijke samenwerking is 15% = 40%. Het kan dan opportuun zijn om (een gedeelte) onder de-minimis te laten vallen.